Een Les uit de Gevangenis
Wanneer Men Je de Rug Toekeert
Geschreven door Sheikh Ahmad Musā Jibrīl
Inleiding
In tijden van beproeving leer je de ware aard van mensen kennen. Wanneer de wereld zich van je afkeert en zelfs zij die je ooit het meest vertrouwde afstand nemen, blijft er slechts Eén over tot wie je je kunt wenden.
In dit aangrijpende relaas deelt Sheikh Ahmad Musā Jibrīl de woorden en ervaringen van een oudere gevangene die zich verraden voelde door zijn vrienden en leerlingen. Wat volgt is een diep spirituele reflectie over teleurstelling, vertrouwen en het zuivere besef dat alleen Allah blijvend nabij is.
Beproevingen onthullen niet alleen de zwakheid van anderen, maar ook de staat van je eigen hart. Ze breken de illusie van zekerheid, van vriendschap en steun, en leggen bloot waarop je werkelijk steunt wanneer alles om je heen wegvalt. Want soms is het niet de vijand die je het meest verwondt, maar de stilte van een vriend in de momenten dat je hem het hardst nodig had.
Dit verhaal is een herinnering aan dat moment waarop een hart, gebroken door mensen, zijn rust vindt bij Allah. Het leert ons dat verlies soms de grootste vorm van barmhartigheid is, en dat verlaten worden door de schepping de eerste stap kan zijn naar nabijheid van de Schepper.
De Val van Vriendschap
Een oudere man, die zich in een van de vele gevangenissen bevond waarin ik de afgelopen tien jaar verbleef, opende zijn hart voor mij. Hij vertelde hoe bekend hij was geweest in zijn gemeenschap en daarbuiten, in heel het land. Hij zat gebroken en gekweld, niet alleen door de muren die hem omringden, maar vooral door het besef dat de honderden, zo niet duizenden mensen aan wie hij ooit zijn steun had gegeven, zich nu volledig van hem hadden afgekeerd. In zijn tijd van nood was hij alleen. Zijn familie leed onder zware financiële druk en kon hun huis niet behouden.
In zijn wanhoop wendde hij zich tot zijn oude, vertrouwde vrienden, degenen van wie hij dacht dat zij er altijd voor hem zouden zijn. Hij hield van hen alsof het zijn eigen familie was.
Deze broeder had zijn tijd en energie aan hen gewijd. Wanneer iemand van hen een probleem had, snelde hij toe om te helpen. Hij zag hen als zijn ziel, als zijn eigen bloed. Maar na verloop van tijd keerden zij zich van hem af. Toen de wereld zich tegen hem keerde, deden ook zijn broeders en leerlingen dat. Zijn smeekbeden bleven onbeantwoord en de pogingen van zijn familie tot contact stuitten op stilte.
De broeders hadden geen medelijden met zijn tranen die onophoudelijk over zijn wangen stroomden, noch met zijn hart dat weende van pijn. Zij logen, stelden uit, en gaven zijn familie het gevoel dat ze een last waren. Uiteindelijk verdwenen zij als een luchtspiegeling en lieten het gezin achter zonder hulp, zonder hoop, zonder enig menselijk vangnet.
De Ware Winst
De duisternis van zijn cel werd nog donkerder. Hij voelde zich verraden en verlaten, en dacht eraan hoe hij zijn broeders behandeld zou hebben als de rollen waren omgedraaid. Nooit, zelfs niet in zijn ergste dromen, zou hij een van hen in de steek hebben gelaten. Hij was de imām van een groot centrum geweest. Hij had hun huwelijken voltrokken, hun doden begraven, hun gezinnen begeleid in tijden van crisis, en door zijn raad hadden vele families standgehouden. En nu had niemand van hen nog naar hem omgekeken.
Ik zei tegen hem: “Genoeg, o sheikh! Genoeg verdriet, genoeg tranen. Stop met jezelf te zien als iemand die gebruikt is, want in werkelijkheid waren wij het die hén hebben gebruikt!” Hij keek me verbaasd aan. “Hoe bedoel je dat?” vroeg hij. Ik zei: “Al die jaren dat wij er waren om hun doden te begraven, hun huwelijken te sluiten, hun lessen te geven, onze huizen voor hen open te stellen, avond na avond, terwijl we de deuren ook hadden kunnen sluiten, deden wij dat lillāh, omwille van Allah, op zoek naar Zijn beloning. Wij vroegen er geen vergoeding voor en hopen dat Allah, Verheven is Hij, het van ons accepteert en het op onze weegschaal van goede daden plaatst. Wij waren de winnaars, en zij de verliezers.” De Sheikh boog zijn hoofd en dacht na.
Ik vervolgde: “Naast de beproeving die wij nu ondergaan, heeft Allah ons getest met zulke vrienden en leerlingen om ons te leren dat wij niet moeten vragen of klagen behalve tot Hem. Niet liefhebben behalve Hem, niet vragen behalve aan Hem, niet wenden behalve tot Hem, niet kloppen behalve op Zijn deur.”
Allah wil dat wij weten dat, hoe veel vrienden, leerlingen en aanhangers we ook hadden, Hij de Beste is om je tot te wenden, de Meest blijvende, de Meest volmaakte. Hij wil ons laten beseffen dat Hij ons nooit zal verlaten, zelfs al heeft de hele wereld, vijanden én vrienden, zich van ons afgekeerd. Allah wacht op onze roep, ook al hebben wij Hem lang verwaarloosd. Hij verlangt ernaar ons te antwoorden, ondanks onze fouten en zonden.
Hij is Allah, de Meest Barmhartige, Degene die de gebroken harten heelt, Degene die de onderdrukten hun overwinning schenkt, Degene die barmhartiger is dan je eigen moeder, Degene die dichter bij je is dan je halsslagader. Waarom zou je aankloppen bij deuren van wie niet kunnen schaden of baten, terwijl je kunt kloppen op de deur van Degene die beide kan?
Een Oud Voorbeeld
Zelfs al is dit alles pijnlijk, het is een les van Allah aan Zijn awliyā’. Hij wil hun harten alleen aan Hem hechten, zoals Hij Yūsuf wegnam van Yaʿqūb (عليهما السلام ) toen Yaʿqūb te sterk aan zijn zoon gehecht raakte. Ibn ʿAbd al-Hādī vermeldt in zijn Marāqī al-Janān dat Abū Jaʿfar al-Harawī vertelde: “Ik was met Ḥātim al-Aṣam onderweg naar de Hajj, toen wij Bagdad bereikten. Hij zei: ‘Laten we Imām Aḥmad ibn Ḥanbal bezoeken, nu we in zijn stad zijn.’ We klopten aan, en Imām Aḥmad deed open. Ḥātim zei: ‘Ik ben je broeder Ḥātim.’ Imām Aḥmad begroette hem hartelijk en vroeg: ‘Hoe kunnen wij ons beschermen tegen de mensen?’ Ḥātim antwoordde: ‘Door drie eigenschappen:
1. Geef de mensen van jouw bezit, maar neem niets van hen.
2. Dien hen, leer hen, bezoek hun zieken, begraaf hun doden, geef raad, maar vraag niets terug.
3. Wees geduldig met hun kwaad, en beantwoord het niet met kwaad.’
Imām Aḥmad boog zijn hoofd, tekende met zijn vinger in het zand, keek op en zei: ‘Het is uiterst moeilijk… uiterst moeilijk.’ Ḥātim zei: ‘Doe dit alles, en zelfs dan zul je mogelijk nog steeds geen rust vinden bij de mensen.’”
De Stilte van de Mensen
In 2002 gaf ik een lezing, terwijl overal ter wereld oprechte geleerden werden gearresteerd. Ik noemde toen Sheikh ʿAbd al-Ḥamīd Kishk, de welsbespraakte baken van waarheid in Egypte in de jaren zestig, die herhaaldelijk gevangen werd gezet. Elke keer keerde hij terug naar de preekstoel met nog meer vuur. In de jaren tachtig liet president Anwar Sadat de leiders van alle religies oppakken. Tegenover de cel van Sheikh Kishk zat paus Shenouda III van de Koptische gemeenschap. De Sheikh vertelde dat de paus voortdurend bezoekers had, dag en nacht. Zelf had hij er geen enkele. Toen hij werd vrijgelaten, keerde hij nooit meer terug naar de preekstoel. Hij stierf in 1995, in sujūd, voor zijn Heer. Zijn vrijdagpreken waren ooit de populairste van Egypte. Zijn bandjes werden verspreid door de hele islamitische wereld.
Na mijn lezing kwam een broeder naar me toe en zei: “Sheikh, als er ooit iets met u gebeurt, weet dan dat ik er voor u zal zijn.” In werkelijkheid belde hij mij slechts één keer, op de dag van mijn arrestatie. Daarna nooit meer.
Hetzelfde gebeurde in Koeweit. Een bekende khatīb werd daar geschorst vanwege ware woorden die hij had gesproken. Jaren later sprak ik zijn dochter, die vertelde dat haar vader weigerde terug te keren, verraden door de mensen die jarenlang elke vrijdag achter hem hadden gestaan. Deze predikers, moge Allah hen belonen, deden alles omwille van Allah. Maar zij zijn ook mensen, en het verraad van degenen van wie zij liefde verwachtten, sneed diep.
Imām Aḥmad, al-Bukhārī, Ibn Taymiyyah en anderen werden gevangengezet, verbannen en als buitenstaanders beschouwd. Zij leefden in afzondering, maar hun namen en kennis bleven voortleven. Hun tegenstanders waren in hun tijd beroemd, machtig en gevierd, maar hun namen stierven met hen.
Wat mijzelf betreft, ik geloof wat de dichter zei:
“Moge Allah elke beproeving rijkelijk belonen. Hoe zwaar zij ook is,
ik dank haar, omdat zij mij leerde wie mijn ware vrienden zijn, en wie mijn vijanden.”
Allah neemt, maar Hij vervangt ook. Hij vervangt de verraders door oprechten, de lafhartigen door standvastigen. Toch blijft het moeilijk te bevatten hoe zij zich tegenover Allah zullen verantwoorden. De woorden van de Profeet صلى الله عليه وسلم De Profeet صلى الله عليه وسلم zei:
“Wie een moslim in de steek laat wanneer diens eer wordt geschonden, Allah zal hem in de steek laten wanneer hij hulp van Allah verlangt.” (Vermeld door Abū Dāwūd en at-Ṭabarānī)
En hij صلى الله عليه وسلم zei ook:
“Wie ziet dat een moslim wordt vernederd en hem niet helpt terwijl hij daartoe in staat is, Allah zal hem vernederen voor al Zijn schepselen op de Dag des Oordeels.” (Vermeld door Aḥmad)
Sinds het begin der tijden worden geleerden verraden door degenen die zij het meest geholpen hebben. Sommigen keren zich af, anderen zelfs tegen hen, om de ongelovigen te behagen of om wereldse belangen.
ʿAlī ibn Abī Ṭālib zei:
“Je zult je ware broeder pas kennen als hij je beschermt in tijden van tegenspoed, in je afwezigheid en na je dood.”
Slotwoord
Ware broederschap is zeldzaam geworden, als een kostbare edelsteen. Aan degenen die hun broeders in tijden van beproeving de rug toekeerden zeggen wij: Wij kunnen de band van islam tussen ons niet ontkennen, maar jullie zijn vergeten. Wij wenden ons af, zoals jullie dat deden, en kiezen een andere richting, hopend betere en trouwere broeders te vinden. Ik heb hun dood betreurd op het moment dat zij stil werden en zich afkeerden, en het is moeilijk voor de doden om terug te keren. Uiteindelijk zullen wij ons niet de woorden of de martelingen van onze vijanden herinneren, maar de stilte en het verraad van onze vrienden. “Moge Allah elke beproeving rijkelijk belonen. Hoe zwaar zij ook is, ik dank haar, omdat zij mij leerde wie mijn ware vrienden zijn, en wie mijn vijanden.”
Download hier het artikel in PDF formaat:



