Voorbeelden van al-wala’ wal-bara’ in de Slag bij Badr
Door dr. Ali Mohammed as-Sallabi
Leestijd: 5 minuten
De Slag bij Badr heeft voor de generaties van de ummah heldere en blijvende voorbeelden vastgelegd van al-wala’ wal-bara’. Zij trok een duidelijke scheidslijn tussen waarheid en valsheid en vormde een beslissend moment, zowel innerlijk als uiterlijk. Het was een volledige breuk tussen islam en ongeloof. In deze veldslag kregen deze begrippen een concrete vorm. De metgezellen beleefden ze niet als theorie, maar als tastbare werkelijkheid en innerlijke overtuiging. De jahili waarden stortten in, en het gebeurde dat een zoon tegenover zijn vader stond en een broer tegenover zijn broer.
- Abu Hudhayfah ibn ‘Utbah ibn Rabi‘ah bevond zich in de rijen van de moslims, terwijl zijn vader ‘Utbah, zijn broer al-Walid en zijn oom Shaybah in de rijen van de mushrikun stonden. Zij werden allen gedood tijdens het eerste duel.
- Abu Bakr as-Siddiq stond aan de zijde van de moslims, terwijl zijn zoon ‘Abd ar-Rahman zich in de gelederen van de mushrikun bevond.
- Mus‘ab ibn ‘Umayr droeg de vlag van de moslims. Zijn broer Abu ‘Aziz ibn ‘Umayr bevond zich in de rijen van de mushrikun en werd krijgsgevangen genomen door een van de Ansar. Mus‘ab zei tegen deze Ansari: Bind hem stevig vast, want zijn moeder is vermogend. Abu ‘Aziz riep uit: Mijn broer, is dit jouw aanbeveling over mij? Mus‘ab antwoordde: Hij is mijn broer in plaats van jou. Dit waren geen loze woorden, maar harde realiteit: hij is mijn broer in plaats van jou (Ibn Kathir, 1988, deel 3, p. 307). Dit zijn de waarden waarop de mensheid gegrondvest hoort te worden. De geloofsleer werd de ware band van verwantschap en nabijheid, en zij werd de sociale samenbindende kracht (ash-Shami, 1992, p. 213).
- De leus van de moslims bij Badr was: “Ahad… Ahad” (Eén… Eén). Dit betekende dat de strijd werd gevoerd omwille van een geloofsleer die volledig gericht was op de aanbidding van de Ene God. Niet stamgevoel, niet tribale trots, niet haat, wrok of wraak vormden de drijfveer, maar uitsluitend het geloof in Allah alleen. Vanuit dit uitgangspunt waren de uitingen van imān verschillend in vorm, maar één in betekenis en inhoud (ash-Shami, 1992, p. 213).
Imān kent een diepgaand begrip en een duidelijke innerlijke logica. Tot dit inzicht behoort dat, toen de Boodschapper van Allah ﷺ naar Medina emigreerde en iedere moslim die daartoe in staat was hem volgde, sommigen in Mekka achterbleven omdat zij onderdrukt waren en niet konden vertrekken. Toen de Slag bij Badr plaatsvond, bevonden sommige van hen zich in de rijen van de mushrikun. Onder hen waren: ‘Abdullah ibn Suhayl ibn ‘Amr, al-Harith ibn Zam‘ah ibn al-Aswad, Abu Qays ibn al-Fakih, Abu Qays ibn al-Walid ibn al-Mughirah, ‘Ali ibn Umayyah ibn Khalaf en al-‘As ibn Munabbih.
Wat ‘Abdullah ibn Suhayl ibn ‘Amr betreft: hij verliet de rijen van de mushrikun en sloot zich aan bij de Boodschapper van Allah ﷺ. Hij nam deel aan de veldslag en werd daarmee een van de metgezellen die deze grote eer ten deel viel (ash-Shami, 1992, p. 217).
De anderen deden dit niet. Zij bleven vechten onder de banier van ongeloof en werden allen getroffen en gedood (Ibn Hisham, z.j., deel 2, p. 253). Over hen werd Allah’s uitspraak geopenbaard:
“Voorwaar, (tot) degenen waarvan de zielen door de Engelen worden meegenomen, en die onrechtvaardig tegenover zichzelf waren, zeggen zij: “In wat voor toestand waren jullie (toen jullie stierven)?” Zij zeggen: “Wij waren de onderdrukten op aarde.” Zij (de Engelen) zeggen: “Was de aarde van Allah niet (zo) uitgestrekt dat jullie daarop hadden kunnen uitwijken?” Zij zijn degenen wiens verblijfplaats de Hel is. En het is de slechtste bestemming!” (Soerat an-Nisa’: 97, al-Bukhari 4596)
Ibn ‘Abbas zei hierover: “er waren mensen die moslim waren gebleven in Mekka en hun islam verborgen hielden. Zij werden gedwongen mee te trekken. Over hen werd dit vers geopenbaard. Zij werden niet verontschuldigd, omdat de mogelijkheid bestond om zich aan te sluiten bij de rijen van de gelovigen. De afstand tussen beide legers was niet groot, en als zij het werkelijk hadden gewild, hadden zij de kans gehad om over te lopen naar de Boodschapper van Allah ﷺ, zoals ‘Abdullah ibn Suhayl dat deed.” (ash-Shami, 1992, p. 217)
Imān heeft vereisten die zijn echtheid en kracht zichtbaar maken. Een van die vereisten is dat imān boven alle andere waarden uitstijgt. Wanneer dat zo is, wordt de gelovige een werkzame kracht in het opbouwen van waarheid en goedheid, zoals Allah dat wil. Imān doordringt namelijk het gedrag: het straalt door in handelen en inspanning, in woorden en zelfs in een glimlach, in houding en innerlijke reactie. Daarom werden degenen die in de rijen van de mushrikun stonden niet verontschuldigd. De imān die zij beweerden te bezitten had geen zichtbare gevolgen en bracht geen vrucht voort (ash-Shami, 1992, p. 218).
Met dit diepe begrip van de fiqh van imān gaven de edele metgezellen, moge Allah tevreden met hen zijn, bij Badr de hoogste voorbeelden van oprechtheid in al-wala’ wal-bara’. Zij toonden dat zij het welbehagen van Allah en Zijn Boodschapper ﷺ verkozen boven de liefde voor vader en kind, familie en stam. Daarom is het niet verwonderlijk dat Allah deze oprechte houdingen prijst in Zijn Woord:
“Jij zult geen volk vinden dat in Allah en in de Laatste Dag gelooft, dat houdt van degenen die Allah en Zijn Boodschapper tegenstreven, ook al zijn het hun vaders, of hun zonen of hun broeders of hun stamgenoten. Zij zijn degenen bij wie Hij het geloof in hun harten heeft geschreven en Hij versterkt hen met hulp van Hem, en Hij doet hen Tuinen (het Paradijs) binnengaan waar de rivieren onder door stromen. Zij zijn daarin eeuwig levenden. Allah is tevreden met hen en zij zijn tevreden met Hem. Zij zijn degenen die van de groep van Allah zijn. Weet: voorwaar, de groep van Allah is de winnaar.” (Soera al-Mujadilah: 22)
Bronnen
- As-Sallabi, ‘Ali Mohammed (2021), As-Sirah an-Nabawiyyah, deel 2, 11e druk, Dar Ibn Kathir, p. 30–33
- Ibn Kathir, Abu al-Fida’ ibn Kathir ad-Dimashqi (1988), Al-Bidayah wa an-Nihayah, eerste druk, Dar ar-Rayyān li at-Turath.
- Ash-Shami, Ahmad (1992), Min Ma‘in as-Sirah, al-Maktab al-Islami, tweede druk.
- Ibn Hisham, Abu Mohammed ibn ‘Abd al-Malik (z.j.), As-Sirah an-Nabawiyyah, Dar al-Fikr.



